dinsdag 24 april 2012

Plantenfysiologie: parasieten en hormonen


Verslag cursusavond 12 april 2012

Het biologisch moment wordt verzorgd door Ria Duiven. Zzij neemt ons mee naar een biologieles die zij op de lagere school van haar kinderen heeft verzorgd. Met een drietal 'experimenten' laat zij wat zien. Met zowel foto’s als levend materiaal laat zij ons zien hoe je met een simpele boon aan kinderen kunt laten zien welke invloed licht heeft op de groei van deze boon.  Daarnaast laat zij zien op welke manier een aantal planten zich vermeerderd. om dit goed aan te tonen heeft zij deze planten ook bij zich. Ook laat zij zien hoe schimmel een boterham 'opeet'. De getoonde foto’s en ander materiaal laat bij de meeste van ons wel een herinnering ontwaken.

Omdat Henk Hut wegens persoonlijke omstandigheden is verhinderd,  neemt Jan Nijman de honneurs waar.De informatie die we vanavond krijgen gaat over plantenfysiologie. Dit is de uitleg waarom planten groeien zoals ze groeien.

De powerpoint presentatie van Jan staat op het net.Omdat deze avond bestaat uit veel informatie, kan voor deze feiten het best op de presentatie worden gekeken.






Hieronder wel kort een aantal dingen nog aangestipt .
Om te kunnen verklaren waarom planten groeien zoals ze groeien dienen we eerst definiëren wat een plant is.

  • een plant heeft een celwand
  • de meeste planten hebben bladgroen en zijn in staat tot fotosynthese


Daarna wordt er uitgelegd hoe verschillende planten groeien. Dit wordt ondersteund door de powerpoint presentatie waarbij uitgebreid de krabbenscheer wordt besproken. Deze plant, die het in de jaren 60/70 van de vorige eeuw moeilijk had, speelt een belangrijke rol bij de verlanding van een gebied. Samen met andere planten vormt deze plant het trilveen. Krabbenscheer laat ’s winters zijn cellen/blazen leeglopen en zakt dan naar de bodem van het water. Omdat het te koud is staat dan de fotosynthese stil. In het voorjaar, zodra de temperatuur oploopt, duurt het 2 tot 3 weken voordat deze plant weer boven komt drijven.

Een belangrijke eigenschap van planten is fotosynthese. Jan beschrijft verschillende vormen van plantengroei met fotosynthese of zonder fotosynthese.  Daarbij worden parasieten en halfparasieten besproken. Deze beide groeiwijze gebruiken iets van hun gastheer.

Een andere belangrijke groeiwijze is symbiose. Veel planten groeien in symbiose met een bacterie . Daarbij krijgt de plant iets van de bacterie en levert er iets voor terug.

Een epifyt is een groeiwijze waarbij de plant gebruikt maakt van een andere plant zonder dat deze er iets van gebruikt of aan terug geeft. Een voorbeeld hiervan is een klimop die tegen een boom groeit, waarbij deze de
boom alleen gebruikt als 'klimrek'.

Het volgende onderdeel van de avond bestond uit de informatie over wat allemaal plantenvoeding is.


  1. Stikstof; is een essentiële bouwstof. De opneembare vorm, voor planten, van stikstof is Nitraat. Dit zit in alle meststoffen en  in de lucht (ammoniak). Stikstof maakt de grond zuurder. Op zure grond is het aantal verschillende planten meestal beperkt.
  2. Fosfor: is in alle weefsels aanwezig, vooral in jonge delen, bloemen en zaden. Fosfor speelt een rol bij de energieoverdracht. Een tekort aan fosfor (fosfaat) zorgt voor groeiremming en maakt de plant donker en roodkleurig.
  3. Kalium; regelt het transport in door de celwand en beïnvloed de opname van CO2. Tijdens de bloei zorgt het voor voldoende toevoer van suiker. Gebrek aan kalium geeft gele randjes aan het blad.
  4. Zwavel; is een gifstof, maar hebben planten wel nodig
  5. Calcium
  6. Magnesium
  7. Sporenelementen zoals ijzer, zink, mangaan, borium, molybdeen en koper. Als de grond te zuur is kunnen de sporenelementen niet goed worden opgenomen.

Kalk heeft een belangrijke invloed op de zuurgraad. Aan planten kun je zien waar kalkrijke grond of kalkarme grond is. Kalk stimuleert de groei van bodemorganismen en zorgt voor een snelle vrijkomen van de opneembare stikstof. Kalk moet altijd extern worden toegevoegd want komt niet vanzelf vanuit planten in het gebied.

De daglengte heeft een grote invloed op de groei van planten. De groei wordt gestuurd door hormonen die actief worden bij een bepaalde daglengte.

Veel planten houden winterrust. Het blad valt en ze overleven dan als wortel in de grond.
Geotropie is de beweging van de planten; wortels groeien naar onder (zwaartekracht) en de bladeren groeien naar boven  en zoeken het licht op. Het licht en de zwaartekracht zorgen voor de beweging van de planten.





Belangrijk bij planten zijn de plantenhormonen. Daar hebben zij verschillende van en zij hebben allemaal een andere functie bij de plant.
  • Auxine; groeistof.
    Deze wordt gevormd in de top van de plant en zorgt ervoor dat de plant in de lengte groeit. Auxine onderdrukt de ontwikkeling van de groei en zorgt dat knoppen niet uitkomen. Auxine wordt afgebroken door licht. Als een plant veel licht krijgt ontwikkelt hij minder auxine en komen er wel zijknoppen tot ontwikkeling en komen de knoppen wel uit. Een plant in het donker zoekt het licht en zodra het dat heeft wordt het minder lang en ontwikkelt het zich op andere wijze, met zijknoppen en bloeiwijzen. Denk maar aan het boontjesexperiment in het donker!
  • Gibberilline;
    zit overal in de plant en zorgt voor een sterke groei. Dit hormoon zorgt ook dat de winterrust van een plant wordt afgebroken en zich weer gaat ontwikkelen. Als een plant meer gibberilline heeft zal het meer en eerder tot bloei komen.
  • Cytokinine;
    Dit is het omgekeerde van auxine en zit in de worteltoppen. Dit hormoon wordt gevormd in de worteltoppen. Cytokinine vormt zich in de worteltoppen en wordt naar boven getransporteerd. Cytokinine voedt van daaruit de bovengrondse plant. Auxine wordt in de plantentoppen gevormd en naar beneden getransporteerd en voedt op die manier de wortels.
  • Abscisinezuur;
    Dit hormoon zorgt ervoor dat de bladeren van de planten vallen. De productie van dit hormoon neemt in de herfst toe zodat het kan zorgen voor groeiremming, rust en bladafval (abscisie). In de herfst neemt ook de productie van auxine af (minder licht). Planten die geen blad verliezen hebben geen toename van abscisinezuur in het najaar.
  • Ethyleen;
    Dit is een verouderingshormoon in gasvorm. Net als abscisinezuur bevordert dit de veroudering en rijping van de plant. Omdat dit een gasvorm heeft, heeft het ook zijn effect op de omgeving. Denk maar aan rijpe bananen op een fruitschaal. Zij scheiden veel ethyleen uit en zorgen zo dat ook ander fruit eerder rijp is.

De ontwikkeling van een plant hangt af van het evenwicht tussen de 5 plantenhormonen. De vorming van hormonen worden beïnvloed door bijvoorbeeld temperatuur, daglicht, enz.

Als laatste noemde Jan het onontdekte gebeuren van de Allelopathie; planten die andere planten negatief beïnvloeden door de stoffen die zij uitzenden.  Voorbeelden hiervan zouden zijn rijst, Eucalyptus of ambrosia, maar het gegeven is niet geheel omschreven. Jan heeft het in ieder geval nog niet aangetroffen.

Tot zover deze avond die zeer vol informatie zat, maar op een goede manier uitgelegd dus heel begrijpelijk (naar mijn mening)


Geen opmerkingen:

Een reactie posten