donderdag 28 juni 2012

Een duik in het water, bouwplan van een insect

Verslag Cursusavond donderdag 21 juni 2012

Jan Nijman opende de avond door te vertellen wie er afwezig zijn en met het voorlezen van een sms-je vanuit de Sahara, gestuurd door Jan Willem (van H.B.)
Voor het maken van het verslag stond ene Johan Geert ingedeeld, iemand die we ons geen van allen herinneren en die ook niet voorkomt op de smoelenlijst. Nog onwetend over wat er komen zou, bood Edith aan het verslag te maken.

Biologisch Moment

Halbe was ingedeeld om het Biologisch Moment te verzorgen, maar hij was al eens aan de beurt geweest (wie zei er ‘nou èn?!’ ?)
Jan (W.) had echter twee schedels bij zich, van een vos en van een das, en nam het graag over.
De schedels van een vos en een das lijken qua grootte wel wat op elkaar. Ook hebben ze allebei flinke hoektanden. Het grote verschil is dat de onderkaak van de vos los zit; deze kun je eraf halen, terwijl dit bij de das niet kan. Als je de dassenschedel aan de bovenkant beetpakt valt de onderkaak open, maar er niet af. De dassenschedel is ook te herkennen aan relatief kleine oogkassen – een das heeft maar kleine oogjes. De ogen (en oogkassen) van de vos zijn veel groter.  Verder heeft een das een soort kam op zijn kop; aanhechtingspunten voor zijn krachtige kauw/bijtspieren. Aan deze specifieke das was aan het gebit te zien dat hij al wat ouder was. Het vertoonde wat slijtage en hij miste een snijkies, maar het bot was op die plek dichtgegroeid, waaruit je kunt opmaken dat dit al tijdens zijn leven is gebeurd.
Grietje kwam ook nog even naar voren. Zij had de huiden van de laatste vervelling van twee libellen meegenomen en liet ze de groep rondgaan.

Schedel vos
Schedel das




Ernest Mols

Toen kwam onze verhalenverteller van het Holtingerveld naar voren, Ernest Mols. Hij vertelde dat hij biologie had gestudeerd en dat hij zich had gespecialiseerd in algen, maar dat hij al heel gauw het onderwijs in was gegaan en dingen uit de natuur ook graag wilde vertalen zodat het te begrijpen was door kleuters. (Halbe: ‘Dan zit je hier goed!’)
Vanavond wilde hij de basis leggen voor onze volgende excursie op 30 juni, wanneer we waterbeesten gaan vissen. De libellen van Grietje pasten dus heel goed bij deze avond.
Naast een goede verteller ontpopte Ernest zich tijdens deze avond ook als een kenner van waterleven en… als een goede tekenaar!

Leven in het water, van klein naar groot

Water bevat – naast water – ook andere chemische en organische stoffen. Organismen die in water leven hebben zich dusdanig aan het leven op of onder water aangepast dat ze kunnen overleven; ze eten, ademen en planten zich voort. Het meeste waterleven is zo klein dat je hulpmiddelen zoals een loep of microscoop nodig hebt om ze op naam te brengen. Sommige plantjes en diertjes bestaan zelfs maar uit 1 cel.

Algen

Algen zijn een grote familie van eencellige planten en staan aan de basis van de voedselketen. Afzonderlijk kun je ze niet zien maar als er veel zijn zie je dat het water groen kleurt; ze bevatten bladgroenkorrels die het licht weerkaatsen. Als ze genoeg te eten hebben, dus in voedselrijk water, splitsen ze voortdurend (ongeslachtelijke voortplanting). Je spreekt dan van algenbloei. De beruchte blauwalgen zijn een algengroep die qua eigenschappen dicht tegen de bacteriën aanzitten. Zij scheiden een giftige stof af.
Je hebt ook algen met een skelet van siliciumoxide; de kiezelwieren. Onder de microscoop zijn het net kleine bootjes die heen en weer gaan. Als ze sterven zakken de skeletten –diatomeeën- naar de bodem en als dat er veel zijn krijg je de zogenaamde diatomeeënaarde.
Er zijn algen die vrij zwemmen, maar ook algen die op een ondergrond – een substraat- vastzitten. Er zijn zelfs algen die allebei doen en zich na een tijdje rondzwemmen vasthechten op een substraat door middel van een geleisteel. Als je een takje uit het water vist met een vieze slijmerige substantie, heb je de geleistelen van algen te pakken.
Algen produceren hun eigen voedingsstoffen door middel van fotosynthese. Op hun beurt dienen ze weer tot voedsel van dieren. De eencellige amoebe neemt algen op door zich er omheen te ‘draperen’. Watervlooien wapperen met hun pootjes algen hun mond binnen.

Watervlooien

Watervlooien zijn net als algen heel klein, maar wel met het blote oog zichtbaar. Er zijn wel 80-100 soorten, die alleen onder de microscoop van elkaar te onderscheiden zijn. Het is een klein kreeftje met één groot oog, waarmee zij ziet waar het licht vandaan komt. Zij, want het zijn bijna altijd vrouwtjes. Slechts af en toe komt een generatie mannetjes voor. Ze planten zich net als algen voornamelijk ongeslachtelijk voort. Als de plas waarin ze leven opdroogt, maken ze een eierpakketje, dat ‘gesealed’ wordt en zo beschermd is tegen uitdroging. Zo’n pakketje kan jaren goed blijven. Er is nog een groter waterkreeftje dat dat ook doet, de triops.

Watervlo



Triops

Een Waterplas

Een plas is een hoeveelheid water die kan bestaan ergens tussen 1 uur of voor altijd. Een plas bestaat uit regenwater en wordt meestal ook aangevuld met bodemwater. In de oeverzone  van langer bestaande plassen – ook wel het litoraal genoemd - groeien planten.
(Litoraal heeft in mijn beleving betrekking op de getijdenzone in een zout water situatie, maar dat is misschien de fysisch geografische benadering; ik ben geen bioloog...)
Dit kunnen moerasplanten zijn die af en toe wat droger staan, hoger op de oever. In het water zelf groeien waterplanten, waarbij meestal geworteld wordt in de bodem, maar er zijn ook los drijvende planten zoals kroos. Als eenden een hap kroos nemen, eten ze niet vegetarisch, vanwege het vele leven dat zich tussen de plantjes bevindt, maar dit terzijde.
In een ideale situatie is het water van een plas helder en is de hoeveelheid zuurstof in balans. Bij een temperatuur van 10 graden bevat lucht 20 keer zo veel zuurstof als water. Als de temperatuur stijgt, gaat de hoeveelheid zuurstof in het water zelfs nog omlaag.
Algen produceren zuurstof (door middel van fotosynthese, zie een andere les). Op warmere dagen zie je belletjes zuurstof opstijgen uit de algen. ’s Avonds ontstaat een probleem: doordat er geen licht meer is, stopt de fotosynthese en dus de zuurstofproductie. Bij een algenbloei ontstaat er een dusdanig zuurstoftekort in het water dat er beesten gaan sterven. Deze worden opgeruimd maar dat proces kost ook zuurstof. Het water gaat stinken. Uiteindelijk kan het zo ver gaan dat er bacteriën voorkomen die in een zuurstofloos milieu leven.
Ernest liet terloops de begrippen neuston, plankton en benthos nog even voorbij komen in zijn tekening. De bekendste is het plankton, zelfstandig drijvende organismen in het water. Plankton kan niet zelfstandig ergens heen zwemmen maar is voor verplaatsing afhankelijk van stroming. Neuston is de term voor de groep organismen die op of net onder het wateroppervlak leven. Benthos is de groep organismen die in, op of juist boven de bodem leeft.

Insecten

In het water leven veel insecten. Insecten zijn opgebouwd uit een kop, borststuk en een achterlijf. Ernest maakte hier een prachtige tekening van.
Op de kop zitten ogen (groot of klein)en een mond (meestal met ‘bestek’; kaaktasters en liptasters). Het borststuk bestaat uit drie delen. Hieraan zitten de poten. Aan de onderste twee delen zitten de vleugels, 1 of 2 paar, of soms ook rudimentaire delen die niet meer als vleugel in gebruik zijn. Kevers hebben een dekschild met daaronder een vliezige vleugel.
Het achterlijf wordt ook wel abdomen genoemd. Onderaan zit het genitale apparaat en aan de zijkanten zitten de trachee-openingen. Een insect haalt geen adem door middel van longen. Ze hebben ook geen echte bloedsomloop. De zuurstofuitwisseling vindt plaats doordat er lucht heen en weer stroomt door tracheeën, een soort buizenstelsel in (voornamelijk) het achterlijf van het insect. Daarom zie je een insect ook vaak een pompbeweging maken met zijn achterlijf, om de luchtstroom op gang te houden. Waterdiertjes hebben haartjes rondom de trachee-openingen zodat ze niet vol water lopen.

Geelgerande waterkever

Insecten leggen eieren waaruit een larve komt. Een larve ondergaat een volkomen gedaantewisseling indien de larve geheel niet op zijn ouders lijkt. Een voorbeeld hiervan is de geelgerande waterkever.  Zowel volwassen geelgerande waterkevers als hun larven zijn rovers en kunnen hard bijten. Als je zo’n kever in een papiertje laat bijten blijft hij er gewoon aan hangen, dit ziet er tijdens een excursie spectaculair uit. En als je ze wilt vangen, moet je de dag van te voren stukjes metworst aan een touwtje in de sloot hangen. Daar komen ze zeker op af! De larven hangen met hun adembuis naar boven onder het wateroppervlak en wachten tot er een prooi in hun poten zwemt.
Mannetjes en vrouwtjes zijn van elkaar te onderscheiden doordat het vrouwtje een geribbeld schild heeft, dat is handiger bij de paring. Dan kan het mannetje haar makkelijker vasthouden. Het mannetje heeft ook een zuignapje voor dit doeleind. Overigens heeft hij zelf gewoon een glad schild.
 man (links) en vrouw geelgerande waterkever



Verder zijn waterroofkevers hele snelle zwemmers; supergestroomlijnd en met turbo-aandrijving in de vorm van zware achterpoten met zwemharen om hun prooi te kunnen vangen. Ze kunnen ook heel goed duiken maar zijn zo actief dat ze boven water moeten komen om adem te halen. Onder het dekschild zitten haren waartussen lucht blijft zitten en vaak hebben ze ook een luchtbel aan hun achterlijf, als extra voorraad.

Wantsen

De larve van een wants ondergaat een onvolkomen gedaantewisseling; de larve (nimf) lijkt al op zijn ouders. Wantsen vormen een hele grote familie. Je hebt zowel landwantsen als waterwantsen.
De staafwants is langgerekt, tot wel 8 cm, je hebt wantsen die op een blaadje lijken en piepkleine wantsjes. Toch hebben ze overeenkomsten. Wantsen zijn goed te herkennen aan de X op hun rug. Deze vorm ontstaat doordat hun vleugels overlappen. Ze hebben grote ogen, dat is handig als je een rover bent. Verder hebben ze geen bijtende maar zuigende kaakdelen; een steeksnuit. Ze grijpen een prooi met hun poten, steken hun snuit erin en spugen wat speeksel in hun slachtoffer waardoor de binnenkant oplost en ze de prooi leeg kunnen zuigen. Een steek van een wants kan ook voor mensen pijnlijk zijn. Verder hebben ze vaak een adembuis aan hun achterlijf die ze boven water steken om te ademen.
Veel wantsen kunnen vliegen. Hun jachttechnieken zijn wel onderling verschillend. Schaatsenrijders zitten op het wateroppervlak. De ruggenzwemmer is, hoewel verschillend qua uiterlijk, een soort spiegelbeeld van de schaatsenrijder en hangt op zijn rug onder het wateroppervlak te wachten tot een mugje het wateroppervlak raakt. Hij voelt de kleinste trillingen op het wateroppervlak en schiet dan als een pijl uit een boog op de prooi af. Hij kan lang onder water blijven doordat hij een soort gootje met haren op zijn buik heeft waarin hij lucht vasthoudt. Op de vraag hoe ze dan onder water kunnen duiken – een luchtbel stijgt immers op in water – is het antwoord dat ook wantsen erg sterke achterpoten hebben en daarmee zulke krachtige slagen maken dat ze toch naar beneden kunnen.
De ruggenzwemmer wordt ook wel bootsmannetje genoemd.
Een duikerwants is geen rover maar leeft van detritus (organisch afval) op de bodem van de plas. Hij kan ook geluid maken met zijn achterpoten, vergelijkbaar met dat van een krekel. Daarmee lokt hij vrouwtjes.

Nog enkele weetjes over wantsen:
  • De eitjes van de staafwants zijn te vinden op de stengel van de lisdodde.
  • De larve van de schaatsenrijder heeft geen achterlijf, alleen een kop en borststuk.
  • Een waterschorpioen is ook een wants en heeft rode vleugels.

Waterschorpioen, de kenmerkende X op de rug van de wantsenfamilie is goed te zien. Deze waterschorpioen steekt net de adembuis uit het water (links)

Hierna vertelde Ernest nog een anekdote over de zeldzame brede geelgerande waterkever die hij ooit ving in de buurt van Uffelte. En oh ja, stuur nooit een zeldzame kever ter determinatie naar Wageningen want die krijg je nooit meer terug!
Toen was het tien uur en tijd om te stoppen, maar volgens mij had Ernest de hele nacht nog door kunnen vertellen over waterdieren!

Tip voor een boek je over waterdieren:
Vijver, sloot en plas door Marten Scheffer en Jan Cuppen. Uitgeverij Tirion, ISBN 905210543-X

Verslag: Edith Barf

Geen opmerkingen:

Een reactie posten