woensdag 4 juli 2012

Hydrobiologie, waterbeestjes in de Tilgrup


Verslag van de praktijkochtend bij de Tilgrup op 30 juni 2012.

We zijn op het punt waar de Bosweg de Tilgrup kruist. Het bos is vlakbij, maar er is ook open terrein met wat jong boompjes. Het is zonnig en lekker warm en er zingen veel vogels. Ernest Mols wijst ons op een geelgors die boven in een berk zit te zingen. Het klinkt een beetje als: tsi-tsi-tsi-tsi-tsi-hi-peu, waarbij de laatste twee lettergrepen hoog en laag zijn. De geelgors houdt van open terrein met hier en daar een zangboom. Er is ook een fitis te horen. Zijn zang begint hoog en eindigt laag. En verder is er nog de vink, een vogel die zich ook in bossen goed thuis voelt. Het geluid lijkt op tsi-tsi-tsi-tsi-tsi-tsi-SietskeMarie. Om vogelgeluiden te kunnen onthouden is het handig om er “ezelsbruggetjes” bij te bedenken.

De omgeving waar we nu staan, Oude Willem, was vroeger een veengebied. In de periode, zo’n 100 jaar geleden, werd het ontgonnen. De Tilgrup die afwatert op de Vledder Aa, werd in de jaren 50 van de vorige eeuw gekanaliseerd. Het gebied werd droger, in de zomer soms ook te droog voor de landbouw. Dan liet men water uit de Drentse Hoofdvaart het gebied in stromen. Dit gebiedsvreemde water bevat meer voedsel dan het plaatselijke kwelwater dat eigenlijk in de Tilgrup hoort en is slecht voor de wilde planten.
De laatste 10 jaar is er gewerkt aan het herstel van de waterhuishouding. Het water wordt weer beter vastgehouden in het gebied. De oude loop van de Tilgrup is weer uitgegraven. Door dat graven komt echter ook weer voeding vrij, waardoor je moet afwachten of 'het goed uitpakt'.

We gaan de waterdieren bekijken die in het retentiebekken leven. Het retentiebekken is een lage plek waar in natte periodes veel water in kan worden vastgehouden. In droge periodes staat het nooit helemaal droog. Dat is gunstig voor sommige waterdieren die tijdens hun hele levenscyclus in het water leven.
Joop wijst ons op een ijsvogeltje dat langs vliegt. Dat vogeltje zal wel niet zo blij zijn met al die drukte veroorzaakt door het IVN.

De zonering in het water is duidelijk zichtbaar: open water in het midden, meer naar de oever treed verdichting op. Er groeit o.a. pijlkruid en de openheid van het water wordt getemperd door de wortels erven. Dan komt de oever met nog dichtere beplanting.Het gebied is hier venig, waardoor het slib snel opwoelt en het water troebel maakt. We beginnen daarom heel voorzichtig met onze handen diertjes te vangen om te bekijken.

Er zwemmen kevertjes in en op het water. Op zoek naar muggen die eitjes (op planten) in het water afzetten. Alle eitjes apart of veel eitjes bij elkaar. Er zijn ook ranke waterjuffers die net zo hun eieren afzetten.

De forsere libellen of glazenwassers zijn behendige vliegers. Als je van hen een foto wilt maken moet je vroeg in de ochtend komen, dan zitten ze in het gras en zijn traag omdat ze nog koud zijn. De larven van libellen en glazenwassers leven en overwinteren in het water. Ze vervellen vijf keer. De laatste keer klimmen ze uit het water, de rughuid barst open en er kruipt een glazenwasser uit. Hij heeft dan nog een paar uur nodig om zijn vleugels te laten uitharden. In die tijd krijgt hij ook zijn kleur. Hij jaagt op vliegen door met zijn harige poten wijd te vliegen en ze zo uit de lucht te pakken. Sommige soorten kunnen lange afstanden afleggen. Ze leven één à twee maanden, in die tijd moeten ze paren en eieren afzetten.
In het carboon waren er al glazenwassers. Toen konden ze wel een meter breed worden.

Schoon water heeft een oppervlaktespanning. Dat komt doordat de watermoleculen elkaar aantrekken. Hierdoor is het mogelijk dat kleine dieren met hun pootjes op het water kunnen lopen. Als er zeep in het water zit is er geen oppervlaktespanning meer en de beestjes gaan kopje onder.

Een schaatsenrijder is een wants (te herkennen aan een diagonaal kruis op de rug). Wantsen overwinteren net als waterkevers: als volwassen dier op de bodem.
Kevers hebben een popstadium.


Er zijn altijd hulpmiddelen te bedenken waar je als gids veel gemak van kunt hebben. Om waterdieren, -planten goed te kunnen bekijken kun je gebruik maken van een bakje met een beetje water. Soms is het handig om een lepel te gebruiken om een beestje 'op te pakken'. Maak andere mensen ervan bewust dat je zorgvuldig omgaat met dieren.

Laat mensen door een loepje kijken voor de details. Het kost wat meer voorbereiding, maar als je zelf eerst 'alles' vangt wat er op een bepaalde locatie voorkomt, kun je een zoekkaart maken. Deze is overzichtelijk doordat er niet veel dingen op staan die er toch niet voorkomen, maar er ontbreken ook geen dingen die je wel in het schepnetje vindt. Maak een indeling, b.v. dieren die over het water lopen òf dieren die in het water leven. Zo heeft Ernest Mols ooit zelf een tabel gemaakt (klik hier voor de download). Heeft het dier een hoornachtige buitenkant? (Zoals slakken of een zwanenmossel, waar je die aantreft zit in ieder geval een beetje kalk in het water).

Een staafwants heeft een gespleten staart. Onder water doet hij die tegen elkaar waardoor er een buisje ontstaat om lucht door binnen te halen, zodat hij rustig in ondiep water tussen de planten kan hangen in afwachting van een prooi. Zijn ogen zij halve bolletjes, zodat hij alle kanten op kan kijken. De voorste poten hebben klauwtjes. Daarmee pakt hij een prooi en brengt die naar zijn steeksnuit om er verteringsappen in te spuiten. Daarna zuigt hij de prooi leeg. Het volwassen dier leeft ook wel op het land, de larven leven in het water.

En poelslak heeft een raspplaatje aan zijn mond. Daarmee schraapt hij alg van de planten en bacteriën van het wateroppervlak. De poelslak is een longslak en leeft in ondiep water. Slakken die in dieper water leven hebben een soort kieuwen en een dekseltje om hun huisje mee af te kunnen sluiten.

Er was een 'onechte paardenbloedzuiger'. Dit is een alleseter en eet veel poelslakken en wormen. Deze bloedzuiger werd in de hand gehouden om beter te kunnen bekijken. Blijkbaar beviel hem dit slecht want aan zijn voorzijde kwam er een kleiner bloedzuiger (prooi)gedeeltelijk naar buiten.

Een ruggezwemmer of bootsmannetje heeft haar op zijn buik waar hij lucht in kan bewaren voor ademhaling. De larven zien er net zo uit als volwassen dieren, alleen hebben die nog geen vleugels. Ook zij vangen hun prooi met hun voorpoten en steken hem met hun snuit.

Een kokerjuffer is de larve van de schietmot. Deze larve maakt een kokertje om zichzelf te beschermen. Het materiaal wat hij daarvoor gebruikt is afhankelijk van de soort en kan bijvoorbeeld bestaan uit zandkorreltjes, rechthoekig afgeknaagd plantenmateriaal, schelpjes.

Met een klein groepje zijn we nog even aan de overkant van de weg geweest. Daar groeit de ondergedoken moerasscherm. Het is een klein plantje drijvend in ondiep water. Het heeft kleine bloemschermpjes en de bloemen zijn wit en 2 mm groot. Het plantje smaakt naar selderi en heeft twee soorten blaadjes: voor boven en onder water. Zie voor meer informatie via deze link:

Verslag: Nelleke van der Veen


Geen opmerkingen:

Een reactie posten