zondag 10 februari 2013

Verslag van de excursie op zaterdag 9 februari 2013 onder leiding van IVN-gids Piet Rooks in de Schoapedobbe.


Voor we vertrekken werpen we even een blik op enkele oude kaarten in de kofferbak van de auto van onze gids. Daarbij wordt de aandacht meteen getrokken naar de vermelding van een vernield Middeleeuws klooster, met de naam  ‘s werelds licht (Lux Mundi). Volgens onze gids heeft dat klooster stellig nooit bestaan. Maar waarom heet de weg vlakbij, van Elsloo naar Appelscha, dan toch de Kloosterweg? In 1891 aangelegd als zandpad en in 1931 verhard. In 1996 zijn ter plaatse opgravingen gedaan, waarbij de restanten van een door een ringgracht omgeven boerenhoeve (Kloosterhoeve) werden gevonden. De fundamenten van het klooster Lux Mundi werden echter nooit gevonden. Door het speurwerk naar de fundamenten van het klooster is men wel tot de ontdekking gekomen dat er in de omgeving meerdere boerderijen moeten hebben gestaan. Dat bevestigt onze gids Piet, die kan (geboren en getogen in het gebied) zich nog goed herinneren dat er veel keuterboerderijen en zelfs enkele plaggehutten (‘Spitketen’) hebben gestaan.
Later op internet lees ik dat in de huidige klokkenstoel van Langedijke een heel oude klok hangt, die volgens sommigen ‘mogelijk’ een overblijfsel is uit het klooster Lux Mundi, van een Premostratenzer Orde te midden van zandverstuivingen en heide. Als er als bij de De Schoapedobbe een klooster heeft gestaan, dan lag het in de duinen en dat gaf veel stuifzandoverlast…


Judasoor op vlier

Door de wandeling heen vertelt Piet honderd uit. Voor iedereen die bij hem in de buurt geraakt, zijn er steeds andere dingen te horen. Over de Judasoor, een zwammetje dat uitsluitend op vlier voorkomt. Over Wolverlei, het ons inmiddels bekende gele geneeskrachtige bloemetje, dat voor vele kwalen werd aangewend (de naam is dan ook afgeleid van het Duitse ‘Wohl für Leid’, goed voor alle kwalen). De natuur leverde altijd van álles wat mensen konden gebruiken, niet alleen de jeneverbes maar ook het pijpestrootje (voor het maken en schoonmaken van de lange pijpestelen), de lisdodden als natuurlijke fakkels, of de besjes van het sporkehout (vuilboom). Die besjes werden gegeten als je teveel op (middeleeuwse) banketten had gegeten en gezopen: je moest er zo verschrikkelijk van kotsten dat je meteen alles kwijt was.

Het gebied De Schoapedobbe is bezit van It Fryske Gea, ook zijn er enkele tereinen in bezit van SBB en particulieren. Er is heischraal grasland, produktiebos en ‘ruilverkavelingsbos’, maar het overgrote deel is een heidegebied (alom een ‘juweeltje’ genoemd) met een zandverstuiving, waar we aan de hand van oude foto het standpunt van de fotograaf weten te vinden: we zien dat het reliëf van het landschap in enkele decennia nogal is afgevlakt. Maar de grote verschillen in hoogte tussen de opgestoven delen en de uitgestoven laagten zijn nog steeds opvallend. Sommige hoogtes zijn een soort van ‘forten’: hoog gelegen vlakke plateaus met een steile rand, midden in uitgestoven laagten en groepjes bomen, waaronder een enkele jeneverbes. Bij deze prikkelende heesterachtige boom pukken we enkele besjes, wellicht voor de zuurkool later.


“Bijzonder op de heidevelden zijn de pollen van de kraaiheide. Vooral in het voorjaar zijn er mooie kleureffecten te zien, door combinaties van het warmgroen van de kraaiheide, het grijs van de gewone dopheide en de lichtgele afgestorven stengels van het pijpestrootje. Op deze heidevelden staan stekelbrem en kruipbrem. Waar de duintjes nog stuiven, groeien buntgras en heidespurrie. De rendier- en bekermossen, waaronder het rode heidestaartje, vallen hier op.”

Bij de eigenlijke Schoapedobbe aangekomen, vertelt Piet over de rijkdom aan reptielen amfibieën en libellen. De adder en de levendbarende hagedis zijn vaste bewoners, net als de heikikker, de gewone pad en de kleine watersalamander. De dobbe ligt merkwaardig hoog in zo’n (hier eerder zo genoemd) ‘fort’  en is al eens opgeschoond. Bij het opschonen is de snavelzegge bewaard gebleven. Dat het water voedselarm is, bewijst de aanwezigheid van de zeldzame drijvende waterweegbree. Dat het water van de dobbe (van anderhalve meter diep) zichtbaar boven het maaiveld ligt, komt doordat de onderliggende leemlaag het water vasthoudt en er een toestroom van grondwater is (kwel). Tegenwoordig heeft het heideven niets meer met schapen te maken, maar vroeger was dat anders. Voor de dieren hun jaarlijkse scheerbeurt kregen, werden ze in de dobbe gewassen. Daar heeft het natuurgebied zijn naam Schaopedobbe, ook wel Schaopewaskerdobbe, aan te danken.
In de dobbe zit zonnebaars, die zich elk voor jaar echter weer tegoed doet aan de larven en nymphen van libelles, zoals de grote keizerlibel.

In het natte heideterrein heeft men in 1997 het effect van het bekalking van het zogenoemde  ‘inzijggebied’ onderzocht, is in het najaar van 1997 in de natte heideterreinen begonnen met bekalking. Door deze bekalking schijnt de waterlobelia te zijn teruggekomen.



Wij hebben dit gebied nu tweemaal bezocht, maar beide keren in najaar en winter. In de zomer zijn hier tientallen soorten vlinders, waaronder alleen al twintig soorten dagvlinders, zoals groentje, kommavlinder en heideblauwtje. Van de vogels zijn boompieper, geelgors, boomleeuwerik, roodborsttapuit en fitis de vaste heidebewoners, en de houtsnip is een doortrekker. In het bos broeden soorten als havik, grote bonte specht, gekraagde roodstaart, bonte vliegenvanger, kuifmees (door ons gespot!), zwarte mees en in sommige jaren de appelvink.

Wie onze gids van afgelopen zaterdag nog wat wil vragen (en wie wil dat niet), hier zijn telefoonnummer: Piet Rooks, tel. 0512-521231



Peter Haveman

Geen opmerkingen:

Een reactie posten